De pre-pack procedure is mogelijk een kort leven beschoren. Bij deze procedure wordt al vóór het uitspreken van het faillissement een doorstart voorbereid door de aanwijzing van een "beoogd curator". De wet die deze wettelijk moet verankeren in het Nederlandse insolventierecht in 2016 is aangenomen door de Tweede Kamer, maar moet nog van kracht worden.
On 3 June 2016, the Supreme Court ruled that a valid right of pledge can be established on goods that are delivered subject to retention of title (of ownership). If the buyer is declared bankrupt, the conditional ownership can become an unconditional ownership if the condition precedent is fulfilled (mostly full payment of the purchase price). Next to the buyer, the pledgee can also fulfil this condition. As a consequence, these goods are not part of the bankrupt estate, so that the pledgee can take recourse against these goods.
The facts
Op 3 juni 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er een geldig pandrecht kan worden gevestigd op zaken die onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd aan de koper. Indien de koper failliet wordt verklaard, kan het voorwaardelijke eigendomsrecht uitgroeien tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht door vervulling van de voorwaarde jegens de verkoper (veelal volledige betaling van de koopsom). Ook de pandhouder kan deze voorwaarde vervullen. Het gevolg hiervan is dat genoemde zaken niet in de faillissementsboedel vallen, maar dat de pandhouder hier verhaal op kan nemen.
Op insolventiegebied heeft de Hoge Raad in 2016 een aantal interessante uitspraken gedaan.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 25 januari 2017 (zaaknr. 201508332/1/A3) nogmaals bevestigd dat de bereidheid van een bestuursorgaan om te wachten met invordering van verbeurde dwangsommen totdat op een tegen de last onder dwangsom aanhangig gemaakt beroep is beslist door de rechter, haar duur kan komen te staan. In deze zaak verloor het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (het college) de bevoegdheid om EUR 26.500,00 aan verbeurde dwangsommen in te vorderen.
Year in Review - The Netherlands Law in 2016
In a recent judgment, the Supreme Court ruled that both the debtor and any counterparty performing the legal act have knowledge of prejudice to creditors if, at the time of performing the legal act, the bankruptcy of the debtor and a shortfall in the bankruptcy estate is foreseeable. This judgment confirms the Supreme Court's decision of 22 December 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI8493).
On 1 September 2016 the Seoul Central District Court (6th Bench of Bankruptcy Division) decided on the request of Hanjin of 31 August 2016 to commence a rehabilitation procedure for the company since Hanjin is in a situation where it is unable to repay its payable debts without causing a substantial hindrance to the continuance of its business.
In een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 28 april 2016 wordt één van de (middellijk) bestuurders van bouw- en sloopbedrijf Hildon Bouwservice B.V. (hierna: “Hildon”) veroordeeld om het tekort in de boedel te voldoen. Het beroep op disculpatie van de bestuurder faalt, omdat hij (kort gezegd) op de hoogte was van het handelen van zijn medebestuurder (tevens broer) en onvoldoende maatregelen heeft genomen om (de gevolgen van) de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.
The District Court of Oost-Brabant: At the time of collection, if a trustee in bankruptcy has collected enforcement proceeds from receivables pledged under an undisclosed right of pledge over receivables, the pledgee of the undisclosed right of pledge remains entitled to claim such proceeds from the trustee in bankruptcy, provided it has not collected the proceeds in its capacity as representative of the insolvent pledgor. The claim, however, only applies to proceeds which have been paid directly into the liquidation account.