Het is tegenwoordig schering en inslag: zogenaamde 'lege boedels'. Het gaat dan om rechtspersonen die failliet verklaard worden terwijl deze niet over enige baten beschikken.
Een aangestelde curator, wiens salaris op de eerste plaats voldaan wordt uit die baten, heeft in dat geval het nakijken. Hij zal zijn wettelijke werkzaamheden toch moeten verrichten, in de wetenschap dat hij daarvoor niet zal worden betaald.
Verzet door curatoren
De wetsvoorstellen civielrechtelijk bestuursverbod en herziening strafbaarstelling faillissementsfraude behoren tot het Wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht en zijn gericht op fraudebestrijding. De verwachting was dat beide wetsvoorstellen op 1 januari 2016 in werking zouden treden, maar dit is niet gehaald.
The Supreme Court recently issued an interesting ruling in an insolvency case where receivables that had been validly pledged to a bank were unlawfully collected by a bankruptcy trustee. The question was whether the damages claim of the bank against the bankrupt estate would take priority over the foreclosure and settlement costs, including the bankruptcy trustee’s salary.
On 5 February 2016, the Dutch Supreme Court (“Supreme Court“) ruled (ECLI:NL:HR:2016:199) that an estate claim (boedelvordering) based on damage suffered by a pledge holder, caused by the wrongful collection of claims encumbered by a right of pledge by a bankruptcy trustee, does not have priority over the estate claim relating to the remuneration of the trustee.
Indien een jaarrekening wordt vastgesteld conform de vereenvoudigde procedure (zoals neergelegd in artikel 2:210 BW lid 5 BW), dan geldt een afwijkende (kortere) termijn van elf maanden en acht dagen voor het vaststellen en publiceren van de jaarrekening. Het tijdig publiceren van de jaarrekening na haar vaststelling is van belang voor bestuurders van een vennootschap om te voorkomen dat zij ingeval van faillissement door de curator aansprakelijk worden gesteld wegens onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:248 lid 2 BW.
Op 29 januari 2016 heeft de Hoge Raad een interessante uitspraak gewezen over de ontbinding (HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:152).
De feiten waren als volgt.
Twee broers zijn tot 1995 gezamenlijk eigenaar van een huis in Zeeland. Nadat broer A de volledige eigendom heeft verkregen, bedingt broer B het recht om gedurende een aantal weken per jaar het huis te huren conform een vastgestelde maximum prijs.
Een aandeelhouder ziet door een faillissement de waarde van de in een vennootschap gehouden aandelen verdampen. Soms maakt de aandeelhouder een derde het verwijt dat deze verantwoordelijk is voor het faillissement en de daardoor voor de aandeelhouder ingetreden schade. Kan die aandeelhouder zijn schade op de derde verhalen? Deze vraag kwam aan de orde in het faillissement van reisorganisatie OAD. De rechtbank Midden-Nederland deed recent uitspraak in een door de aandeelhouder tegen de bank aanhangig gemaakte procedure.
Ruim zes jaar na het faillissement van het Meavita-concern heeft de Ondernemingskamer zich op 2 november jl. in harde bewoordingen uitgelaten over het handelen van bestuur en toezichthouders. De uitspraak volgt op een door de vakbonden en curatoren gestarte enquêteprocedure, waarin het beleid en de gang van zaken binnen Meavita voorafgaand aan faillissement zijn onderzocht.
Blog on The Hague Court of Appeal, 17 February 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:281 (FGH Bank N.V. v. Aannemingsbedrijf Fraanje B.V.)