Fulltext Search

In het kader van het wetgevingsprogramma herijking faillissementsrecht is op 1 september 2014 het wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid om in geval van faillissement een (oud-)bestuurder of feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon voor maximaal vijf jaar te verbieden een bestuursfunctie of functie als commissaris te bekleden binnen een rechtspersoon.

Het komt helaas voor dat een subsidieontvanger failliet gaat. Vanuit beleidsmatig oogpunt is het vaak wenselijk dat het gesubsidieerde, nog lopende project kan worden afgerond. Vanuit juridisch oogpunt is het echter de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, de subsidie kan worden overgenomen door een derde die het project wil voortzetten. Zeker als de subsidie is verleend na een zogenaamde tenderprocedure, is het de vraag in hoeverre een subsidieverleningsbesluit nog gewijzigd kan worden.

Until now legal entities serving as board members, directors, or liquidators of companies could choose whether to subject themselves to VAT for the services they rendered. But according to the Belgian VAT administration’s published decision ET.125.180 on 20 November 2014, this optional regime will be abolished from 1 January 2015, making these entities liable for VAT mandatorily.

Op 1 september jl. is het wetsvoorstel Wet civielrechtelijk bestuursverbod bij de Tweede Kamer ingediend. De belangrijkste punten in het voorstel zijn:

Op 11 juli 2014 heeft de Hoge Raad bepaald dat vorderingen van een huurder tot het verrichten van onderhoud en tot het verschaffen van huurgenot op zichzelf steunvorderingen kunnen opleveren bij een faillissementsaanvraag (ECLI:NL:HR:2014:1681).

Met de inwerkingtreding van de Wet Claw back op 1 januari 2014 eindigde een periode waarin diverse ondernemingsrechtelijke wetten in werking traden, waaronder de Wet bestuur en toezicht en de Flex-BV wetgeving. Op dit moment bereidt de wetgever enkele nieuwe wetsontwerpen voor. In de meeste gevallen staat daarin de rol van bestuurders en toezichthouders centraal. Zo ook in het voorontwerp Wet bestuur en toezicht rechtspersonen en binnen het Wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht. 

Costs are the price that creditors pay for an insolvency practitioner’s (“IP”) expertise and time in dealing with a trading bankrupt or insolvent business. However, where the assets are insufficient to meet the existing debts, the imposition of a practitioner’s fees and expenses being paid out in priority can send some “over the edge” and all practitioners have the scars to prove it. This article explores the developing general principles and major pitfalls and how to avoid them.

Recent heeft het Hof van Cassatie de deur iets wijder opengezet voor schuldeisers van een failliete vennootschap om, hangende het faillissement, een individuele vordering in te stellen tegen de bestuurders van de gefailleerde (Cass. 5 september 2013, A.R. nr. C.12.0445.N,www.juridat.be). Concreet mocht de fiscus de niet-betaalde bedrijfsvoorheffing, die opgenomen was in het passief van het faillissement, de facto integraal verhalen op de bestuurders, op grond van foutaansprakelijkheid.

The Court of Appeal’s ruling in Neumans LLP v Andrew Andronikou & Ors [2013] EWCA Civ 916 has provided some useful guidance to insolvency practitioners on the courts’ approach to administration and liquidation expenses.

Pre-match warm up

On 9 July 2013 a new law amending the Code of Commerce was enacted in Luxembourg (the “Law”). The Law introduces the right for a depositor to claim the recovery of intangible and non-fungible (i.e., identifiable and separable) goods from a bankrupt company. The parliamentary file aims clearly at including data from a bankrupt cloud computing service provider. The Law sets forth the different conditions to be fulfilled for the entitlement to claim intangible and non-fungible goods from a bankrupt company: